Lied 15: Mijn stenen hart

Tekst: Carolus Tuinman
Melodie en zetting: Dick Sanderman

1. Almachtig Harten-Heer,
ik kniele voor U neer.
Ach, drijf mij toch niet henen.
Ik kom voor U, met smart,
mijn diamanten hart
erkennen en bewenen.

2. ‘t Is hard gelijk een steen.
‘t Gevoel, helaas, is heen.
‘t En wil zich niet bekeren
en ‘t kan niet: droeve staat!
Ach, kend’ ik recht mijn kwaad,
hoe zou ik hulp begeren!

3. Mijn hart, zo dwaas en boos,
is echter zorgeloos
en weet van geen verschrikken.
Ik heb, och, met mijn schuld
mijn zondenmaat vervuld.
Ik slaap in ‘s duivels strikken.

4. Maak van dat hart mij vrij;
herschep, vernieuw het mij:
wil buigen en verbreken.
Laat Jezus’ Geest en bloed
mijn hart in tranenvloed
doen smelten, en dat weken.

5. Uw onweerstaanb’re kracht,
die ‘t hardste hart verzacht,
hervormt natuur en zeden.
Uw hand is niet verkort.
Wat Gij gebiedt, dat wordt.
O, werk zo in mij mede!

6. Hier is de rechte stof
Om Uw genadelof
almachtig, te vereren.
Wanneer Gij zulk een rots,
zo hard, zo stijf, zo trots,
van steen tot vlees doet keren.

7. Dan word ik (hoe voorheen!)
een levendige steen
ten bouw van Jezus’ tempel,
waarin Gods Geest dan woont.
Zo wordt Zijn beeld vertoond
en ‘k volg dan Zijn exempel.


Terug naar het liederenoverzicht