Lied 17: Zielenvragen

Tekst: Hermanus Witsius
Melodie en zetting: Dick Sanderman

1. Is er nog, o groot Ontfermer,
is er voor een nare kermer,
voor een schreier nog gehoor?
Is er nog een open oor?
Mag een mond vervuld met zonden,
mag een ziel vervuild van wonden,
die van etter vloeien, mag
die nog uiten haar geklag?

2. Is er, Heer, nog enig hopen?
Staat de deur Uws goedheid open
voor een zondaar, die het meest
licht van allen is geweest?
Wilt Gij zijn geschrei nog dulden,
die voor zoveel duizend schulden
bij U aangetekend is?
Schenkt G hem wel vergiffenis?

3. k Zal dan alleszins betuigen,
k Wil mij onder U wel buigen.
Gij zijt Heerser, ik Uw knecht
die Gij onder hebt gelegd.
t Is wel hard; maar t is rechtvaardig:
Ik ben schand, Gij eere waardig.
Zijt Gij met mijn doem gediend,
zoek Uw eer, Ik heb t verdiend.

4. t Zij hoe t zij, mijn droeve ogen,
laat uw springbron nooit verdrogen.
houd, van schreien nimmer mat,
steeds mijn wang en leger nat.
Wakker nu, gewone klachten,
vergezelschapt hele nachten,
hele dagen, mijn getreur,
tot mijn hart aan stukken scheur.

5. t Is nog altijd zoet te stenen,
t is nog zoet te liggen wenen,
zoetste Jezus, aan Uw schoot.
En aldaar zijn zielennood,
en aldaar zijn stoute zonden,
oorzaak van die hartenwonden,
uit te storten! t Licht het hart
nog een weinig in zijn smart.


Terug naar het liederenoverzicht