Lied 29: Lofzang des Heeren

Tekst: Bernardus Busschof
Melodie en zetting: Leander van der Steen

1. Geloofd zij God, Die naar Zijn raad bestendig,
mij heeft getrokken door Zijn Geest inwendig
en uiterlijk geroepen door Zijn Woord.
Mijn blind verstand en mijn verdorven zinnen
heeft Hij verlicht door Zijnen Geest vanbinnen
en zal het meer verlichten, voort en voort.

2. Wie zal de uitverkoor’ne Gods verleiden?
Wie zal mij van de liefde Christi scheiden?
Wie zal mij trekken uit Zijn sterke hand?
Duivel noch dood, noch dodelijke zonden,
zal ooit zo sterk of machtig zijn bevonden,
dat ze mij nemen zal dit zeker pand.

3. Doch nimmer zal met sterfelijke tongen
al zulken lof, U, Heere, zijn gezongen,
als wel Uw goedheid toebehoren zal,
maar als ik zal tot U zijn opgenomen
en bij ‘t gezang der engelen zal komen,
zal ik U loven, Heer’, met blij geschal.


Terug naar het liederenoverzicht