Lied 32: Het horen van Jezus' stem

Tekst: Johannes Willemsen
Melodie: John Bacchus Dykes
Zetting: John Bacchus Dykes/Rien Donkersloot

1. Een ziel die in de zonde leeft,
schoon dat zij oog en oren heeft,
is echter blind en daarbij doof.
‘t Gehoor veronderstelt ‘t geloof.
Geen wereldling hoort Jezus’ stem,
al ziet hij en al hoort hij Hem.

2. Dit is het voorrecht van Gods zaad,
van elk, die in Gods liefde staat:
de ziel, die naar de Heiland vliedt,
die hoort, omdat zij Jezus ziet;
zij ziet, omdat zij Jezus hoort,
een vrucht van hare Godsgeboort’.

3. ‘t Nieuw’ schepsel heeft, door Gods genâ,
zielsoren, zonder wederga,
om ‘t Woord des Heeren te verstaan,
om ‘t Woord des Heeren na te gaan.
Gods stem, in dat vernieuwd gemoed,
wordt recht gehoord en staag gevoed.

4. Gods stemme spreekt in hunne geest;
zij horen naar die heilstem meest.
Dit is der vromen zielenlot,
zij zien en horen hunne God.
Zo deed Jehova God weleer
aan Samuël en and’ren meer.

5. God spreekt nu in dit nieuw verbond
door Zijne Zoon, op vaste grond.
Gods Geest spreekt ook de vromen aan,
totdat zij horen en verstaan.
Die nu met ‘s Heeren Geest verkeert,
wordt van de Heere Zelf geleerd.


Terug naar het liederenoverzicht