Lied 48: Gods werken

Tekst: Nicolaas Simon van Leeuwaarden
Melodie: Duitsland +/- 1700
Zetting: Jan Bonefaas

1. Al wat ik hier zie met mijn ogen,
al wat ik hoor of wat ik voel,
daar wordt mijn ziel door opgetogen
tot U mijn God en hoogste doel!
De koud’, de winden en de regen,
het ijs, de hagel en de sneeuw;
de dauw, zo lieflijk neergezegen,
de donder en de bliksem meê.

2. De wonderbare wisselingen,
die zomer en die winter geeft;
‘t gevogelt’ met haar lieflijk zingen,
dat boven en rondom mij zweeft;
de dag, de nacht, het licht, het duister
roept, ieder op zijn beurt, mij tot
te zeggen tot Gods roem en luister:
‘Zie, zulk een God is onze God!’

3. Ach, was mijn hart en tong steeds vaardig
om al Uw werken, zo ‘t behoort,
te prijzen; immers zijn ze ‘t waardig!
Ach Heer’, dat van mij werd gehoord
Uw lof en roem, zo lang Gij ‘t leven
mij hier vergunt; totdat Gij mij
goedgunstig eens zult plaatse geven
in de volzaal’ge geesten rei.

4. Waar ik dan, in volmaakte vreugde,
met het volzalig eng’len tal,
met zielsgenoegen in Uw deugden,
o goede God, verlusten zal
en eeuwig U de lof toezingen.
Wiens ziel verlangt er nu niet naar?
Wie van des Heeren keurelingen
roept niet: ‘Dit zij zo, amen, ja’?


Terug naar het liederenoverzicht