Lied 52: Mijn genade is u genoeg

Tekst: Johannes Willemsen
Melodie: Rowland H. Prichard
Zetting: Arie Kortleven

1. Paulus, tot Gods troon verheven,
werd tot zijne need’righeid
in zijn vlees iets scherps gegeven,
opdat hij, tot God geleid,
zich daarop niet mocht verheffen.
Bad hij driemaal tot zijn God,
satans woede bleef hem treffen
tot zijn smart’lijk zielenlot.

2. Maar God zeide tot die grote:
‘Mijn genaad’ is u genoeg.’
Laat de satan zielen stoten,
God herstelt die na gezwoeg.
Vromen, zijt gij in benauwen?
Gij, mijn ziele, lijdt gij ook?
Ach, volhard maar in vertrouwen:
satans slagen zijn slechts rook.

3. God zal ons, door Zijn genade,
zo versterken met Zijn kracht
en uw biddend hart verzaden,
als gij op de Heer’ steeds wacht.
Heeft God ooit uw geest verheven,
zijt gij in de geest geweest,
werd u daarbij ook gegeven
dat uw ziele werd bevreesd?

4. Leidt God u in zulke wegen,
voelt uw ziel des satans list;
o wees daarom niet verlegen,
Gods genâ heeft nooit gemist.
Bid Jehova menig malen,
Zijn genade redt de ziel,
God zal uwe geest doen pralen,
daar zij voor Hem nederviel.


Terug naar het liederenoverzicht