Lied 84: Schelfzeelied

Tekst: Sara Maria van der Wilp
Melodie en zetting: Rien Donkersloot

1. Ik zing de lof van aller heren Heer’:
Zijn majesteit alleen zij eeuwig d’ eer!
want Hij is hoog verheven;
Hij, Die Zijn volk, Zijn Israël bewaart,
Die Faro’s heir, de ruiter met het paard
heeft in de zee gedreven.

2. Voor Isrels oog is Faro’s talrijk heir
met al de bloem der hoofdliên in het meer,
in ‘t Rode Meer verdronken.
Zijn wagens en zijn krijgsmacht, ondereen,
zijn door de zee bedekt en als een steen
in ‘s afgronds diep gezonken.

3. Gij toond’, o Heer’, Uw onweerstaanb’re kracht.
Uw rechterhand verbrak Uws vijands macht:
zij, die U wederstonden,
zijn door Uw toorn (die als een vuurgloed blaakt)
als stoppels door een felle vlam geraakt
in ‘t ogenblik verslonden.

4. Gods heerschappij bestaat all’ eeuwen door,
Die Faro dreef langs ‘t glibb’rig waterspoor,
met ruiter, paard en wagen,
waar ‘t golvenheir zijn legermacht verslond:
maar Isrels kroost ging op de droge grond,
bevrijd van alle plagen.


Terug naar het liederenoverzicht