Lied 85: David, de herders en de goede Herder

Tekst: W. Droogers
Melodie: onbekend
Zetting: Henk C. de Gelder

1. ‘Ga voor de schapen zorgen’,
zo was hij aangesteld.
Men vindt hem ied’re morgen
opnieuw weer in het veld,
zijn kudde trouw verzorgen,
bewaken als een held.

2. Waar David gaat vergâren
zijn schapen ‘s avonds laat,
en hij ook op zijn snaren
zijn psalmen horen laat;
en hij ook in gevaren
een leeuw en beer verslaat.

3. Kwam in diezelfde velden
bij herders onverwacht,
een engel, die vertelde:
‘Hij kwam in deze nacht,
van Wie Gods Woord vermeldde,
‘t Lam Gods, Dat wordt geslacht’.

4. Daar gingen d’ englen zingen
het lied: ‘Aan God zij d’ eer!’
Wat doet Hij grote dingen,
komt Zelf op d’ aarde neer;
dat zondaars toch ontvingen
de vreed’ in ‘t harte weer.

5. Hij is de Goede Herder,
Die Zelf Zijn schapen leidt.
Hij voert hen ook veel verder:
in d’ eeuw’ge zaligheid!
Dat kan geen aardse herder,
die hier zijn schapen weidt.

6. ‘Ik geef voor hen Mijn leven,
‘k ga sterven aan het kruis,
opdat Ik hun kan geven
een plaats in ‘t Vaderhuis.
En na dit aardse leven
breng Ik hen eeuwig thuis’.

7. O Herder, wil mij weiden,
doen horen naar Uw stem.
Doe mij verstaan Uw lijden,
Uw komst in Bethlehem;
dat ik aan ‘t eind der tijden
mag zeggen ‘ ‘t Is uit Hem!’


Terug naar het liederenoverzicht