Lied 93: Immanuël

Tekst: W. Droogers
Melodie: Henry T. Gauntlett
Zetting: Gerard de Wit

1. ‘t Was een bange tijd voor Achaz,
koning te Jeruzalem,
toen de vijand onderweg was.
O, die macht benauwde hem.
Maar hij zocht in ‘t angstig lot
niet de Heere, Isrels God.

2. Toen God evenwél Zijn knecht zond,
‘t was Jesaja, de profeet,
klonk de boodschap, als uit Gods mond:
‘Vrees niet, koning, want o weet,
dat de vijand, hoe geducht,
straks toch weer het land uit vlucht.

3. Eis een teken van de Heere.
Kies: omlaag of van omhoog?’
Achaz ging het teken weren.
Afkeer was ‘t, die hem bewoog.
‘Koning, doet gij dit daartoe:
maakt gij nu mijn God ook moe?

4. Daarom zal de Heere geven
Zelf een teken door Zijn macht:
éénmaal schenkt een maagd het leven
aan een Zoon, door ‘s Heeren kracht.
En Zijn naam (‘t is Gods bevel)
die zal zijn: Immanuël.’


Terug naar het liederenoverzicht