Lied 101: Op de geboorte van de Heere Jezus

Tekst: Johannes Verschuir
Melodie: Mainz 1833
Zetting: Henk C. de Gelder

1. O, wonderwerk dat ik hier vind,
dat zo lang is verwacht;
een Kind dat men in windsels windt
en ligt geheel veracht.
Dat is Gods en des mensen Zoon,
Welk’ in een kribbe leit
en blootgesteld aan alle hoon,
als Borg werd toegezeid.

2. Van d’ eng’lenschaar, die op Hem wacht,
met hele reien zingt,
in ‘t diepste van een lichte nacht
de herderen omringt
en juicht van ‘s Heeren vrederaad
en vrij’ genadegoed,
Welk’ het aan Hem beloofde zaad
zal lossen met Zijn bloed.

3. Vraagt gij nu hoe Zijn Name zij?
Die is toch Wonderlijk?
De hemelschaar die zingt er bij,
het ganse heir gelijk.
De Zaligmaker Christus is
waardoor God d’ ere krijgt;
gerechtigheid die gaat niet mis,
de heiligheid niet zwijgt.

4. Mijn ziele, sta een weinig stil
en let eens op dit stuk
en vraag: ‘Is ‘t ook des Heeren wil
dat mij dit groot geluk
reeds in dit Kind is toegelegd,
dat Hij ook zij mijn deel?’
O, mocht mij dit zijn toegezegd:
ik werd de Zijn’ geheel!


Terug naar het liederenoverzicht