Lied 104: De wijzen uit het oosten

Tekst: D. van der Linden-van den Hoek
Melodie: Johannes Gijsbertus Bastiaans
Zetting: Martijn den Haan

1. De wijzen uit t oosten
zij zagen een ster.
Geboren de Koning!
Maar waar is Zijn woning?
Toch gaan zij Hem zoeken,
al is t nog zo ver.

2. De ster wenkt hen: volg mij,
dan gaat het niet fout.
Luid klinken bevelen:
nu, zadel kamelen.
Laad daarbij geschenken:
mirr, wierook en goud.

3. Ze komen in Isrel,
ze gaan naar t paleis.
Geen Kind, maar hun herder,
de ster, leidt hen verder.
Staat stil boven t huisje,
het eind van de reis.

4. Zij naadren eerbiedig,
en knielen dan neer.
Hij is toch gekomen!
Zij konden niet dromen,
Hem ooit te ontmoeten,
hun Koning en Heer.

5. Niet weer naar Herodes.
Ga heen naar uw land.
Herodes, de snode,
het Kind wil hij doden
Ga veiliger wegen,
geleid door Mijn hand.


Terug naar het liederenoverzicht