Lied 106: Getsémané

Tekst: W. Droogers; tekst tegenstem: Dicky Wessels
Melodie: William Bradbury
Zetting: Henk C. de Gelder

1. Toen Jezus gaan moest in de hof,
kroop Hij daar als een worm in ‘t stof,
en de benauwdheid, die Hij leed,
drukt’ bij Hem uit het bloedig zweet.

Mijn God, Mijn God, verlaat Gij Mij?
En redt Mij niet terwijl Ik strij?
De Man van smart.
De Man van smart.

2. ‘Laat deze beker van Mij gaan,
maar, Vader, ‘k tast Uw wil niet aan.
Hoe zwaar dit lijden Mij ook drukt,
Uw wil is ‘t, waar Mijn ziel voor bukt’.

Uw wil geschied’, Uw wil alleen
in ‘t hemelrijk en hier beneên.
Gewillig Lam.
Gewillig Lam.

3. Terwijl Hij voor de Zijnen lijdt,
is er geen één, die met Hem strijdt.
Hij sprak: ‘Blijf hier en waak met Mij.’
Geen enk’le waakt hier aan Zijn zij.

Gij zijt hun roem, kracht van hun kracht.
Uw vrije gunst wordt eer gebracht.
Ja, Ik voor u!
Ja, Ik voor u!

4. Terwijl de satan op Hem woedt,
en Hij Gods toorn hier dragen moet,
is ‘t toch een engel, die Hij ziet.
Zijns Vaders liefde voelt Hij niet.

Ik ben benauwd, omringd door dood.
De angst der hel vergroot Mijn nood.
Gods eigen Zoon.
Gods eigen Zoon.

5. Tot driemaal toe knielt Hij hier neer
en keert dan tot Zijn jong’ren weer.
‘Sta op, deez’ strijd is thans voorbij;
die Mij verraadt is nu nabij!’

Hij sprak tot Mij: ‘Gij zijt Mijn Zoon,
zeg vrij Uw eis; het is Uw Loon’.
Ik kom, o, Heer’.
Ik kom, o, Heer’.


Terug naar het liederenoverzicht