Lied 116: Verschijningen na Pasen

Tekst: Isaäc da Costa
Melodie: Johann Crüger
Zetting: Gerard de Wit

1. In de vroege morgenstond
heeft Gods Woord Zijn Sionieten
redding uit d’ ellend’ verkond’
waar hun tranen overvlieten.
‘t Werd beloofd en ‘t is voldaan:
onze Heer’ is opgestaan!

2. ‘t Graf is ledig, nadert, ziet,
o door trouw gedreven vrouwen,
zoekt Hem bij de doden niet,
Die geen doodsgeweld kon houên.
d’ Engel zelve kondigt aan:
Die gij zoekt, is opgestaan!

3. Kloeke, teed’re Magdaleen,
gij, gij mocht Hem ‘t eerst aanbidden.
Hoog bevoorrechten, spoed heen;
meld het in der broed’ren midden.
Zeg vooral het Petrus aan,
dat zijn Heer’ is opgestaan!

4. Maar ook hij zal nog deez’ dag
aan des Meesters voeten wenen,
Die hij schuld belijden mag,
Die vergeving wil verlenen.
Jezus neemt de boet’ling aan,
daartoe is Hij opgestaan!

5. O, op Emmaüs’ pad tezaam,
diepbedroefde wandelaren,
u, verenigd in Zijn Naam,
komt Hij Zelf de Schrift verklaren.
Welk een blijdschap grijpt u aan!
Isrels Heil is opgestaan!

6. Thomas, nee, geen twijfel meer:
zie die handen, zie die zijde!
‘t Is de Meester, ‘t is uw Heer’,
en Hij deelt Zijn Geest u mede.
‘t Is geen droom, geen ijd’le waan,
Hij is waarlijk opgestaan!


Terug naar het liederenoverzicht